HR 14 februari 1916, NJ 1916, 681, W 9958 Melk & Water-arrest
Een artikel uit de algemene politieverordening (APV) van de gemeente Amsterdam stelde als overtreding strafbaar het verkopen van melk onder de benaming ‘volle melk’ terwijl er iets aan de melk is toegevoegd. Een melkhandelaar verdunde melk met water. Hij deed dit buiten medeweten van zijn knecht. Deze verkocht de verdunde melk vervolgens onder de benaming ‘volle melk’. Daardoor beging de knecht - volledig onbewust - de overtreding uit de APV. De melkhandelaar werd vervolgd en veroordeeld wegens het doen plegen van deze overtreding.
Ook de knecht werd vervolgd en veroordeeld. Bij de Hoge Raad was de vraag aan de orde of de knecht eveneens strafbaar was. Hij had weliswaar alle bestanddelen van de delictsomschrijving vervuld, maar dat was buiten zijn medeweten gebeurd. Zonder erkenning van een buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond zou de knecht strafbaarzijn.
De Hoge Raad overwoog echter:
‘(…) dat toch niets, bepaaldelijk niet de geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht ertoe dwingt om aan te nemen, dat bij het niet-vermelden van schuld als element [lees: bestanddeel] in de omschrijving van een strafbaar feit, in het bijzonder van een overtreding, onze wetgever het stelsel huldigt, dat bij gebleken afwezigheid van alle schuld niettemin strafbaarheid zou moeten worden aangenomen, tenzij er een grond tot uitsluiting daarvan in de wet mocht zijn aangegeven;
dat om deze tegen het rechtsgevoel en het - ook in ons strafrecht gehuldgde - beginsel ‘geen straf zonder schuld’ indruischende leer te aanvaarden, de noodzakelijkheid daarvan uitdrukkelijk uit de omschrijving van het strafbare feit zou moeten volgen, hetgeen te deze niet het geval is.’